Biologie Neurowetenschap

Heidi Lesscher

Dr. Heidi Lesscher is neurobioloog aan de Universiteit Utrecht. Hier doet ze onderzoek naar verslaving; hoe ontstaat het en wat bepaalt het risico op verslaving? Haar onderzoek richt zich onder meer op individuele verschillen in de gevoeligheid voor alcoholverslaving en de hersenmechanismen die daarbij betrokken zijn. Zo heeft ze aangetoond dat de amygdala, een hersengebied dat betrokken is bij angst, bijdraagt aan de gevoeligheid voor de belonende werking van alcohol bij dieren. Hiernaast heeft ze een grote rol in het themaproject Healthy Play Better Coping, een hub-project binnen het overkoepelende thema Dynamics of Youth (waar ook Gonneke Stevens aan verbonden is). Ze onderzoekt samen met kinderartsen, psychologen, psychiaters en game onderzoekers wat de rol is van spel in de ontwikkeling van hersenen en gedrag. Maar hoe onderzoek je verslaving met diermodellen? En welke rol spelen de hersenen in verslavingsgevoeligheid?

Meest recent

Carlijn Bouten

Prof. Carlijn Bouten is hoogleraar Cel-Matrix Interacties in Cardiovasculaire Regeneratie voor de faculteit Biomedische Technologie aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hier onderzoekt ze interacties tussen levende cellen en de extracellulaire matrix waar cellen zich in bevinden en wat structuur biedt aan onze weefsels. Haar groep gebruikt modelsystemen op verschillende lengteschalen voor het bestuderen van dezeVerder lezen

Liesbeth Veenhoff

Prof. Liesbeth Veenhoff is groepsleider van het Laboratory of Cellular Biochemistry bij de European Research Institute for the Biology of Ageing (ERIBA) in Groningen. Haar onderzoek focust zich op verouderingsprocessen in onze cellen, in de hoop die kennis te kunnen gebruiken om de mens gezonder oud te laten worden. Het transport van proteïnen in enVerder lezen

Het Inzicht

Hoe komt het dat de ene persoon wel verslaafd raakt en de andere niet?

Dat is eigenlijk de rode draad door alles wat ik onderzoek. Vandaag de dag verbreid ik die vraag iets uit naar psychopathologie in de brede zin, bijvoorbeeld met ons onderzoek naar spel. Hier gaat het niet alleen over verslaving, maar ook over waarom de ene persoon wel een psychiatrische aandoening heeft en de andere niet. Deze vraag onderzocht ik reeds gedeeltelijk tijdens mijn postdoc project in San Francisco. Hier heb ik onder meer gekeken naar de rol van de amygdala. Dit is een gebied in onze hersenen dat belangrijk is voor emotieregulatie en betrokken is bij angst. We wisten in die tijd al dat er een link bestaat tussen alcoholverslaving en angststoornissen, en dat een bepaald gen genaamd PKCε een rol speelt in alcoholverslaving. We zagen dat muizen die dit gen niet hadden minder angstig waren. Dat konden we meten in diermodellen door een ‘plus-doolhof’ te gebruiken; een verhoogde opstelling met twee open armen en twee gesloten armen. Muizen die daarop worden gezet ervaren een conflict door de hoogte en de keuze tussen de gesloten, veilige armen, en de open armen. Wij zagen dat muizen die geen PKCε hebben meer tijd doorbrengen op de open gedeeltes van zo’n plus-doolhof. Ze durven dus meer. Dit bleek vervolgens ook samen te hangen met de consumptie van alcohol: muizen zonder PKCε dronken minder alcohol dan de controledieren. Alcohol werkt angst-verlagend, wat verklaart dat er een verband is tussen angst en alcoholgebruik. Als je meer angst ervaart wordt alcohol als positiever ervaren, dan als je – zoals deze dieren – minder angstig bent.

Maar goed, deze bevindingen hadden we ontdekt bij muizen waarbij het gen in de gehele muis was uitgeschakeld, en niet slechts in de hersenen. Als volgende stap heb ik toen lokaal in de hersenen met moleculaire trucjes en virussen specifiek dat ene gen uitgeschakeld. Nauwkeuriger uitgelegd had ik een heel klein stukje RNA ingebracht in een inactief gemaakt virus. RNA is vergelijkbaar met DNA, en wordt gebruikt om de genetische informatie uit DNA te vertalen naar de productie van eiwitten. Het inactief gemaakte virus kan niet meer delen en is helemaal niet gevaarlijk, maar het kan nog wel een enkele neuron (hersencel) infecteren waarmee het stukje RNA ter plekke tot expressie wordt gebracht. Dat hele kleine stukje RNA zorgt ervoor dat een machinerie in gang wordt gezet in het neuron die dan weer het gen uitschakelt. Tijdens mijn postdoc was dit heel erg vernieuwend, want je kon ineens van een muis die helemaal geen genexpressie vertoonde, nergens niet, naar een situatie waarbij een gen selectief in een klein hersengebied uitgeschakeld kon worden. Zo hebben we aangetoond dat wanneer je in de amygdala het gen PKCε uitschakelt, dieren ook minder gevoelig worden om alcohol te consumeren. Dat was een spannende vinding omdat men voorheen dacht dat de amygdala vooral heel belangrijk is voor het reguleren van negatieve emoties, zoals je die ziet in onthouding van alcohol. Omdat alcohol negatieve emoties kan verlagen is iemand in onthouding sneller geneigd alcohol te drinken, en zo blijft de verslaving in stand. Wat wij hebben laten zien in ons onderzoek is dat de amygdala dus óók belangrijk is in de eerste fase, het aanleren van drinkgedrag.

Dit interessante onderzoek is wat je tijdens je postdoc je hebt gedaan, maar waar ben je nu met je groep mee bezig?

In die postdoc is het zaadje geplant voor waar ik nu mee bezig ben. Ik ben toen heel erg gaan nadenken over hoe we onze modellen zo goed mogelijk kunnen maken opdat ze zo dicht mogelijk in de buurt komen van echte verslavingen. De meeste alcohol onderzoekers gebruikten destijds een twee-flessen keuzemodel waarbij twee flessen aan een kooi bevestigd werden: eentje gevuld met water en eentje met alcohol. Af en toe werden de flessen gewogen, maar de dieren hadden continu toegang tot de alcohol. De meeste studies lieten zien dat de dieren eigenlijk helemaal geen voorkeur hadden voor de alcoholoplossing. Ze dronken evenveel of zelfs meer water dan alcohol. Ik vond dat we wat aan de modellen moesten doen en ben toen met ‘beperkte toegang’-modellen gaan experimenteren. Zo zag ik dat als je toegang tot alcohol beperkt, de dieren meer alcohol drinken en ook duidelijk kiezen voor alcohol boven water, heel anders dan wanneer je het continu aanbiedt. Verder vind ik het heel belangrijk om na te denken over de vertaalbaarheid van de diermodellen naar de klinische situatie. In gesprek met psychiaters werd duidelijk dat patiënten vooral last hebben van controleverlies. Veel kenmerken van verslaving gaan over controleverlies: meer gebruiken dan je van plan was, gebruiken ondanks negatieve gevolgen, gebruiken in gevaarlijke situaties etc. Patiënten geven zelf aan dat ze vooral controle willen over hun middelengebruik. Sindsdien ben ik me dus daarom op controleverlies gaan focussen. Hoe kun je controleverlies in een diermodel vatten en wat zijn de betrokken hersenmechanismen bij controleverlies?

Genen en eiwitten spelen dus duidelijk een rol in een verslaving. In hoeverre, als we het hebben over genen, speelt erfelijkheid dan een rol bij verslaving?

Ik citeer niet uit eigen werk, maar hier is natuurlijk wel veel onderzoek naar gedaan. Naar schatting wordt ongeveer 50 á 60 procent van de variatie in het risico op alcoholverslaving verklaard door genetische factoren. Er is dus duidelijk sprake van erfelijkheid bij verslaving, maar daarnaast spelen ook omgeving, blootstelling aan middelen, ervaringen en andere factoren een rol.

Dat leidt tot misschien niet per se een hele wetenschappelijke vraag, maar wel een filosofische vraag: Wat is jouw blik op eigen verantwoordelijkheid? Als genen een rol spelen in verslaving, in hoeverre kun je dan iemand berispen op de eigen keuzes en fouten die hij in zijn leven maakt? In hoeverre ben je de dupe van chemische stofjes en processen die zich in je hoofd afspelen?

Het is duidelijk dat genetische factoren het risico op verslavingsgedrag beïnvloeden, dat is een gegeven. Het kan zijn dat de ene persoon door genetische factoren heel erg beloningsgevoelig is terwijl de andere persoon dat helemaal niet is. Dat zou verklaren waarom de ene persoon de volgende keer sneller geneigd is om weer alcohol te drinken, terwijl de ander het minder snel op zal zoeken. Maar zolang er nog geen sprake is van verslaving heeft een individu de vrije keuze – en daarmee ook de eigen verantwoordelijkheid – om al dan niet naar een kroeg te gaan en alcohol te bestellen.

Het wordt anders als er door langdurig middelengebruik een situatie ontstaat waarbij iemand de controle over middelengebruik verliest. Dat gaat gepaard met veranderingen in de hersenen. Zo zijn er neuronen in je beloningssysteem die veel harder gaan vuren in reactie op een beloning, terwijl ze juist minder actief zijn op het moment dat de beloning er niet is, wat weer maakt dat de zucht om het middel te zoeken hoog is. Er vinden ook veranderingen in de frontaalkwab van de hersenen plaats, die maken dat iemand cognitieve controle verliest over zijn/haar gedrag. In dat stadium is er sprake van een hersenziekte; de hersenen zijn dan biologisch dusdanig veranderd door middelengebruik, wat in eerste instantie misschien zijn/haar eigen keuze was, waardoor hij/zij in die fase niet meer zelfstandig kan stoppen met middelengebruik. Patiënten met verslavingsproblemen hebben zorg nodig om daar weer uit te komen.

Welk onderzoek doe je precies rond spel en verslavingsgevoeligheid bij kinderen in het Healthy Play Better Coping project? Waar zijn jullie mee bezig?

Dit onderzoek is eigenlijk ontstaan omdat mijn collega’s veel onderzoek doen naar spel bij ratten. Ratten spelen net als mensen en vele andere dieren. Spel is belonend en er is ook veel overlap in de hersenmechanismen die betrokken zijn bij verslaving en spel. We vroegen ons af of er een relatie zou kunnen bestaan tussen spelgedrag en verslaving. Eerst keken we of dieren die niet konden spelen op jonge leeftijd later gevoeliger zouden zijn voor verslaving, wat zo bleek te zijn. Speldeprivatie zoals we dat noemen bleek dieren gevoeliger te maken voor alcohol en cocaïne. Met die kennis stelden we ons vervolgens de vraag wat de relatie zou kunnen zijn tussen de individuele neiging tot spel en de gevoeligheid voor verslaving. Om dat te onderzoeken hebben we een groep ratten gekarakteriseerd op spelgedrag. Vervolgens hebben we ze ingedeeld in groepen die veel of juist weinig speelden, en lieten we alle dieren alcohol drinken. Wat bleek? De dieren die heel veel speelden dronken meer alcohol! Niet per se een positieve boodschap, maar we hadden nog niet naar controle over alcoholgebruik gekeken. Daarom trainden we dezelfde ratten in een operante kooi, waarmee we ze kunnen leren om zelf alcohol te verkrijgen. Een operante kooi is een opstelling met twee pedaaltjes die je uit kunt laten schuiven. Op het moment dat ze uit zijn geschoven, kunnen ratten hierop duwen. Als ze op het juiste pedaaltje duwen, kan je een pompje activeren waarmee ze bijvoorbeeld een intraveneuze injectie met cocaïne krijgen, maar je kan ook een soort lepeltje met alcohol omhoog laten gaan zodat ze een druppeltje alcohol kunnen drinken.

Maar wat is controleverlies bij de mens en hoe kan je dat meten bij ratten? Controleverlies is, zoals ik al eerder aangaf, het doorgaan met het gebruik van middelen in gevaarlijke situaties en ondanks negatieve gevolgen. Bijvoorbeeld: als je doorgaat met drinken, dan raak je je baan kwijt of word je ernstig ziek. Wij hebben geprobeerd dat in een diermodel te vatten. Hiervoor hebben we de dieren getraind om een pieptoon te koppelen aan iets negatiefs, namelijk milde elektrische voetschokjes, vergelijkbaar met als je schrikdraad aanraakt. Dat vinden ratten heel naar, en ze leren al gauw het verband tussen de toon en de nare ervaring. Vervolgens hebben we de toon afgespeeld tijdens het drukken voor alcohol, om een conflictsituatie na te bootsen. Wat je dan ziet, is dat de dieren die controle hebben over hun gedrag minder op het pedaal drukken, wat we kunnen interpreteren als meer bezig zijn met het risico dan met het zoeken naar het middel. Nu bleek dat de ratten die veel speelden precies dit deden; ze onderdrukten hun zoekgedrag, wat aangeeft dat ze perfecte controle hadden over hun alcoholgebruik. De dieren die weinig speelden deden dat echter niet. Zij bleven gewoon drukken voor alcohol, ondanks dat ze geconfronteerd werden met het risico op een voetschok. Met andere woorden, dieren die heel veel hadden gespeeld konden hun gedrag heel goed controleren.

Dit onderzoek onderstreept het belang van spelen: door te spelen leren kinderen – en dieren – veel over zichzelf en hun omgeving. Door te spelen kunnen kinderen oefenen met verschillende situaties, waardoor ze op termijn veel weerbaarder, socialer, cognitief sterker etc. worden. Ik werk nu samen met kinderartsen die mij vertelden dat kinderen die een chronische ziekte hebben zich vaak buitengesloten voelen en er niet bij horen. Ze willen mee doen, willen zijn als ieder ander eigenlijk. Bovendien lopen kinderen met een chronische ziekte vaker achter op ontwikkelingsmijlpalen: sociaal, emotioneel, cognitief. Recent hebben we, onder andere samen met Gonneke Stevens, gekeken naar data van enquêtes van een dwarsdoorsnede van de populatie jongeren. We wilden weten of er een verband was tussen het hebben van een chronische ziekte (zelf of in hun nabije omgeving) en verslavingsgedrag. De voorzichtige eerste analyse laat zien dat kinderen met een chronische ziekte gevoeliger lijken te zijn voor verslavingsgedrag. De missing link is nu nog spel. We zijn momenteel druk bezig met het observeren van video’s van kinderen die in een gecontroleerde lab setting spelen met legoblokjes en die spelen in een virtuele speeltuin omgeving, om te kijken of we daar een objectieve maat voor spel uit kunnen filteren. Zodra we dat hebben kunnen we beter bekijken of en hoe kinderen met een chronische ziekte anders spelen dan gezonde kinderen.

Maar wat is jullie hypothese? Hoe zou het komen dat minder spel leidt tot meer controleverlies?

Wat we denken is dat kinderen ontzettend veel leren door te spelen. Als je speelt, leer je bijvoorbeeld sociale communicatietechnieken. Je leert ook omgaan met emoties en je leert flexibeler te zijn; als er iets misgaat, probeer je over het algemeen een oplossing te vinden. Een kind wil namelijk heel graag blijven spelen. Je ziet dat kinderen door te spelen blijven zoeken naar oplossingen. Als een kind niet kan spelen, en dat geldt ook voor dieren, dan zie je dat er van alles misgaat. We denken dat dit ook echt wel tot uiting komt in veranderingen in de hersenen. Het is een relatief nieuw veld, dus er valt nog ontzettend veel te leren over spel, en daar wil ik me voor inzetten.

Wat wordt de maatschappelijke bijdrage van dit onderzoek volgens jou? Het klinkt in het begin, als je het hebt over je postdoc, nog best als fundamentele kennis. Hoe kunnen jullie resultaten uiteindelijk helpen met maatschappelijke discussies over verslaving?

Ik denk dat de toepassing heel breed kan zijn. Zo ben ik steeds meer in gesprek met clinici, maar ook met collega’s bij sociale wetenschappen en praktijkinstellingen, om te kijken of we niet samen kunnen werken om de kennis uit ons onderzoek toe te passen. De uitdaging is om dierexperimenteel en humaan onderzoek in optimale synergie samen te laten komen. Diermodellen moeten zo goed mogelijk aansluiten bij de humane realiteit. Door kennis vanuit ons werk te delen met de praktijk en de maatschappij kan onze kennis beter vertaald en benut worden. Het spel onderzoek is daar een heel mooi voorbeeld van: doordat we zo gericht onderzoek kunnen doen bij ratten, naar een gedrag dat heel sterk lijkt op het gedrag van jonge kinderen, kunnen we gericht naar de rol van spel in de ontwikkeling van kwetsbare kinderen kijken. Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor ons verslavingsonderzoek: door modellen te gebruiken die zo dicht mogelijk bij controleverlies bij de mens komen, kunnen onze resultaten optimaal gebruikt worden om toe te werken naar betere behandelmethoden.

Je ziet dat kinderen door te spelen blijven zoeken naar oplossingen.

De Wetenschap

Hoe ga je te werk met diermodellen? Zo was ik ontzettend verbaasd om tijdens het voorbereiden van dit interview te lezen dat jullie ook met cocaïne werken. Hoe pakken jullie dit in het lab aan?

(lacht) Dat is een vraag die mij ook door veel studenten gesteld wordt. Er is natuurlijk een hele strenge regulatie op. Het wordt allemaal via de opiatenwet geregeld. Wij hebben een vergunning om te mogen werken met opiaten. Dat betekent dat wij als onderzoeksgroep toestemming hebben om met een aantal middelen te mogen werken, en iedere keer als wij een nieuwe hoeveelheid nodig hebben (dan heb je het echt over hele lage hoeveelheden), wordt er samen met de nieuwe voorraad een formulier meegegeven door de vergunninghouder. Alle stoffen die onder de opiaatwet vallen zitten in een speciale kluis en wij moeten een administratie bijhouden. Iedere keer dat we wat van deze stoffen gebruiken moeten we noteren hoeveel milligram er precies gebruikt is. En dat wordt uiteraard ook met enige regelmaat gecontroleerd. De stoffen worden overigens ‘gewoon’ bij de farmaceutische groothandel besteld.

Ik verplaats me even in de kritische burger: 1) “Ja maar hola, mensen zijn toch geen ratten? Hoe link je dat onderzoek van ratten met mensen?” 2) “Maar dat mag je toch helemaal niet doen, dat onderzoek op die arme ratten? Wetenschappers moeten stoppen met onderzoek op dieren.”

Wat zijn hier jouw antwoorden op?

1) Goeie vraag. Nee, een rat is geen mens, dat is zeker zo, al zijn er biologisch gezien enorm veel overeenkomsten. Alle hersengebieden die bij de mens betrokken zijn bij beloningsgevoeligheid en verslaving hebben ratten ook. Het natuurlijke gedrag kan je dus heel goed vergelijken, en we zien na langdurig middelengebruik vergelijkbare veranderingen optreden. Uiteraard is een diermodel een versimpeld model – maar dat is tegelijkertijd de kracht. Bepaalde factoren die bij mensen een rol spelen, zoals groepsdruk of werkdruk, heb je natuurlijk niet bij knaagdieren. Maar specifieke vragen kan je heel goed, zo niet beter, onderzoeken met diermodellen.

2) Dierproeven zijn heel goed geregeld; we hebben er een wet voor die op EU-niveau en landelijk is vastgelegd. Van alle landen in Europa, en ik durf eigenlijk wel te zeggen wereldwijd, heeft Nederland heel strenge wet- en regelgeving omtrent dierproeven. Als onderzoeker moet je eens in de vijf jaar een vergunningsaanvraag doen, en dat is een brede vergunning. Daarin beschrijf je wat je de komende vijf jaar van plan bent te gaan doen qua dierexperimenten. Deze aanvraag wordt beoordeeld door een ethische commissie; die kijkt heel kritisch naar wat je precies gaat doen, wat dat oplevert en of dat opweegt tegen het ongerief dat de dieren ervaren. Hier komt een advies uit, op basis waarvan je soms de aanvraag nog moet aanpassen. Het kan zijn dat je extra groepen moet meenemen, of dat ze zeggen: “Nou ja, ik denk dat het te vroeg is om deze experimenten te doen, dus we willen dat je eerst een pilot-experiment doet en pas als daar dit en dat uitkomt zijn wij overtuigd en mag je pas door met de rest van de experimenten”. Er zit dus echt een hele strenge begrenzing op. Vervolgens moet je na het krijgen van de vergunning bij ieder experiment een protocol indienen, dat weer wordt gecheckt door de lokale instantie voor dierenwelzijn. Tijdens een experiment moet je bovendien een welzijnsdagboek bijhouden; als er iets gebeurt qua ongerief wat meer is dan wat je zou verwachten, wordt het allemaal geregistreerd. En indien nodig wordt er een dierenarts ingeschakeld, alles om het ongerief van de dieren te beperken en tegelijkertijd de betrouwbaarheid van de studie te waarborgen. Kortom – de zorg voor proefdieren is heel goed geregeld in Nederland.

Wat zie jij zelf als de grootste ontdekking die jij in je carrière hebt bijgedragen aan je vakgebied? Waar ben je zelf het trotst op in wat je tot dusver hebt bereikt?

Ik weet niet of mijn antwoord echt terug te voeren is op één enkele ontdekking. Ik denk dat het meer een combinatie is. Ik ben er echt trots op dat we veel betere modellen hebben ontwikkeld, die zoveel dichter bij de klinische realiteit komen, aangezien we daarmee veel relevantere informatie en perspectief voor verslavingszorg kunnen leveren. Het andere is de translatieslag die we gemaakt hebben in ons spelonderzoek. De kennis die we vergaard hebben met ons dierexperimentele werk heeft geleid tot een breed scala aan samenwerkingsprojecten met kinderartsen, game onderzoekers, psychologen, orthopedagogen en maatschappelijke partners. Uiteindelijk is dat mijn drijfveer: met mijn onderzoek echt iets te kunnen doen waar de maatschappij beter van wordt.

Wat zijn je toekomstige grote dromen of doelstellingen, en wat zijn daar de grootste drempels bij?

Ik zou het spelonderzoek nog verder willen verankeren. De droom van mij en mijn collega’s is dat we een expertisecentrum voor spel kunnen vormen dat de brede expertise op het gebied van spel onderzoek kan samenbrengen. Dan zouden we nog meer kunnen doen samen, wat kan helpen om zichtbaar te maken dat wij veel kennis op het gebied van spelonderzoek in huis hebben. Misschien wel een ‘Spelinstituut’, een gebouw met zo’n plakkaat met die naam erop, dat zou ik geweldig vinden. Ook omdat je dan gewoon echt alles samen kan brengen, en uiteindelijk veel meer kan bereiken dan met losse eilandjes. We zitten nu samen vanuit verschillende faculteiten, maar ik denk dat we nog veel beter samen kunnen werken als we mensen echt bij elkaar brengen.

Als ik met clinici en verslavingsartsen spreek, hoor ik keer op keer van hen dat het écht iedereen kan overkomen.

De Persoonlijkheid

Wat drijft jou om wetenschap te doen? Hoe ben je in deze carrière terechtgekomen?

Ik ben altijd al gefascineerd geweest door de hersenen, en ik vind het nog steeds heel boeiend hoe individuele verschillen ervoor zorgen dat de ene iets wel ervaart en de andere niet. Bovendien vind ik het belangrijk om bij te dragen aan het verminderen van de last in de psychiatrie. Het is belangrijk te beseffen hoe mensen lijden onder psychische stoornissen. Tegelijkertijd zijn psychische stoornissen heel ongrijpbaar en er is ook veel onbegrip over. Ik vind dat het veel meer aandacht mag krijgen.

Heb jij een wetenschappelijke ontdekking of wetenschapper in de geschiedenis van de wetenschap die jij heel mooi vindt?

Er zijn wetenschappers die hele stoere technieken de wereld insturen waardoor het hele onderzoeksveld – de neurowetenschappen in dit geval – kan veranderen; daar zijn prachtige voorbeelden van. Dan denk ik bijvoorbeeld aan Karl Deisseroth uit Stanford, die optogenetica heeft ontwikkeld. Dat is een techniek gebaseerd op lichtgevoelige ionkanaaltjes die ooit ontdekt zijn in algen. Deisseroth heeft de code voor deze ionkanaaltjes in virussen ingebouwd en ervoor gezorgd dat we met licht specifieke neuronen in het brein kunnen stimuleren. Dat heeft er vervolgens toe geleid dat we bepaalde projecties in het brein kunnen inactiveren op een heel gecontroleerde manier. We kunnen dankzij deze technieken nu zelfs in de hersenen kijken en meten welke cellen bijvoorbeeld bij het drukken op een pedaal voor een beloning worden geactiveerd. Mooi om in een vakgebied te werken waarin zulke enorme sprongen worden gemaakt.

Hoe goed of slecht zijn we op dit moment als maatschappij op deze wereld bezig? Wat hebben we volgens jou op dit moment het hardste nodig?

Als ik heel erg bij mijn eigen vakgebied mag blijven, vind ik dat er meer begrip zou moeten zijn voor mensen met psychiatrische problemen, en in het bijzonder voor verslaving. Het is een heel erg gestigmatiseerd onderwerp, dat merken we bijvoorbeeld aan de financiering. De budgetten voor neurobiologisch en psychiatrisch onderzoek zijn beperkt, terwijl het een enorm groot probleem is in onze maatschappij, en we de mechanismen van veel psychiatrische aandoeningen nog altijd niet goed kennen. Als ik met clinici en verslavingsartsen spreek, hoor ik keer op keer van hen dat het écht iedereen kan overkomen. Het is een absolute dwarsdoorsnede door de maatschappij, en niet een bepaalde groep mensen die dit overkomt. Daarom vind ik het helemaal shockerend om te zien hoe negatief het wordt weggezet. Ik denk dat we veel kunnen bereiken als we beter ons best doen om dat te accepteren en misschien ook wel na te denken over manieren hoe we verslaafden beter kunnen steunen.

Stel dat jij op een podium voor een zaal vol studenten staat: wat zou jouw ene les zijn die je hun mag meegeven?

Tijdens mijn postdoc zei mijn mentor en fantastisch persoon Robert Messing altijd: je kan alles doen en leren wat je wil. Ik denk dat dit misschien wel een belangrijke les is voor veel studenten, die vaak worstelen met de keuzes die ze moeten maken. Volgens mij zijn er verschillende wegen die je naar je doel kunnen leiden, en soms duurt het dan iets langer, maar een de-tour kan je ook veel opleveren. Ik ben zelf met zuiver gedragsbiologie begonnen, en heb vervolgens geleerd om ook moleculaire neurobiologie te integreren in mijn werk, met technieken waarvan ik eerder dacht dat ik dat nooit zou kunnen. Daarbovenop had ik 10 jaar geleden niet gedacht dat ik ook humaan onderzoek zou doen, maar dat doe ik nu wel. Kortom: ga vooral je doelen achterna!

De DWIN-vraag: Ken je een leuk weetje of feitje waarmee je de lezer kan verleiden om Dat Wist Ik Niet te zeggen?

Ik denk dat het wel aardig is om te weten dat het brein eigenlijk ook bestaat uit allerlei verschillende orgaantjes. Je zou denken dat het brein één orgaan is, maar het mooie van het brein is dat het enorm complex is. Sterker nog, je kan een brein bij wijze van spreken pellen, bijna zoals een ui. Dan zie je dat het brein eigenlijk een gelaagd systeem is dat bestaat uit allerlei subgebieden, ieder met zijn eigen functie, verschillende samenstelling, andere type neuronen, andere projecties en dan zijn er natuurlijk ook ontelbare verbindingen tussen de subgebieden. Juist die complexiteit is zo boeiend aan de hersenen, daar raak ik niet over uitgepraat.

Ontzettend bedankt voor dit verrijkende interview, Heidi!

0 reacties op “Heidi Lesscher

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s