Site pictogram

Hoe film je migrerende (kanker)cellen in een levend weefsel? – Jacco van Rheenen

Luister naar dit interview via Apple Podcasts, Google Podcasts of Spotify!

Prof. Jacco van Rheenen leidt zijn eigen groep binnen het Nederlands Kanker Instituut (NKI), doceert over zijn expertise aan de Universiteit Utrecht, en maakt deel uit van het Oncode Instituut. Zijn groep specialiseert zich in de intravitale microscopie van kanker: het bekijken van individuele kanker cellen die rondreizen in levend weefsel zonder dat je het weefsel bij de patiënt hoeft weg te nemen! Met deze geheel nieuwe techniek kan Jacco’s groep als één van de eersten het ontstaan van tumoren en het uitzaaien van kankercellen ‘op heterdaad’ zichtbaar maken. Dit levert nieuwe kennis op over de mogelijke oorzaken en regulatie van kanker, wat helpt bij de ontwikkeling van betere therapieën. Maar hoe doe je aan intravitale microscopie waarmee je doorheen weefsel kijkt? En hoe voelt het om als eerste cellen te zien reizen op een manier die anderen nog nooit hebben kunnen aanschouwen?

Het Inzicht

Veel onderzoeksgroepen die kanker bestuderen, werken met cellijnen. Een cellijn is een type cel die ooit uit een patiënt is gehaald en wegens inherente eigenschappen blijft delen in nieuwe dochtercellen [elke cel splits na een zekere tijd in twee nieuwe cellen]. Zodoende kan je een cellijn vanuit een klein aantal cellen door laten groeien tot een groot aantal cellen en deze gebruiken voor experimenten. Als je cellen invriest, gaan ze ‘slapen’ en zodra ze je ze weer ontdooit gaan ze verder met het opdelen in nieuwe cellen. Hiermee kun je in principe oneindig onderzoek blijven doen. Naast cellijnen werken groepen met patiëntmateriaal, weefsels die weggehaald worden bij de patiënt en waar onder de microscoop naar gekeken wordt. Maar met intravitale microscopie kunnen jullie cellen live in levend weefsel visualiseren. Wat zijn hier de voordelen van?

Wat in cellulair onderzoek inderdaad vaak wordt gedaan is het weghalen van individuele kankercellen uit patiënten of muizen om deze vervolgens verder te kweken. Hierna worden deze kankercellen onderzocht op hun gedrag. Dit is heel mooi onderzoek en we kunnen hier ontzettend veel van leren. Máár, je kan je goed voorstellen dat een mens in een kamer zonder andere voorwerpen of mensen zichzelf heel anders zal gedragen dan normaal. Hoe jij je gedraagt is erg afhankelijk van je omgeving. Dit geldt ook voor onze cellen. In de celkweek kunnen we de omgeving al heel erg manipuleren, maar de omgeving van een cel in het lichaam is nog veel complexer. Hierdoor kan je de omgeving eigenlijk nooit helemaal nabootsen, waardoor je niet hetzelfde gedrag krijgt als van een cel die zich in een lichaam bevindt.

Daarnaast gebruiken onderzoekers stukjes biopt [weefsel] uit patiënten of diermodellen en nemen daar vervolgens foto’s van met de microscoop. Uit zo’n foto kun je ontzettend veel leren, maar lang niet alles! Een cel zit in dit geval wel in zijn natuurlijke omgeving, maar je afbeelding is slechts een snapshot. Zo kan een foto van een vliegtuig dat schuin in de lucht hangt zowel betekenen dat hij aan het landen of aan het opstijgen is. Dit kun je door de foto te bekijken niet weten, maar wel als je een filmpje maakt. Hetzelfde geldt voor cellen. Als je een foto van een cel neemt, zie je dat hij omgeven is door andere cellen maar heb je geen idee over de toekomst van de cel en hoe hij interacteert met andere cellen. Na mijn PhD ben ik in New York gaan werken aan de ontwikkeling van technieken om individuele levende cellen een specifiek kleurtje te kunnen geven. Hierdoor konden we onze camera’s op cellen richten en filmen wat er met die precieze cellen gebeurd. Zo onderscheiden we hoe specifieke cellen zich gedragen. Dit gebruiken we bijvoorbeeld om te bekijken hoe kanker precies werkt vanuit hele basale kennis. Neem bijvoorbeeld gezonde cellen die een DNA mutatie ondergaan: waarom kunnen sommige cellen met deze mutatie zichzelf herstellen of zichzelf laten afsterven terwijl andere cellen zich raar gedragen en oncontroleerbaar doorgroeien [wat het basisprincipe van kanker is]? Heel veel van die dingen weten we eigenlijk nog niet precies. Na de vorming van een tumor zullen sommige cellen in de originele tumor blijven zitten, maar anderen zullen afbreken en gaan uitzaaien (ook wel metastase genoemd). Deze uitzaaiing is precies de reden waarom kanker zo gevaarlijk is en waarom heel veel mensen er door overlijden. De relevante vraag is: Waarom breken de meeste cellen niet af om in het bloed te verspreiden, maar zijn er toch een paar die dit wel doen? Wat is er zo uniek aan deze paar cellen die uitzaaien? Of neem een patiënt die in de kliniek behandeld wordt en waarbij heel veel kankercellen dood gaan op een paar na. Deze enkele overlevers kunnen uitgroeien tot nieuwe tumoren die resistent zijn tegen de voorheen gebruikte therapie. Hoe kunnen deze specifieke cellen dit en waarom zijn ze uniek? Het gaat in al deze vragen vaak om hele speciale cellen die je niet zomaar kunt identificeren in een foto, en niet zomaar kan isoleren voor een experiment. Dit is de reden waarom we met onze techniek intravitaal zijn gaan filmen en wat ons onderzoek uniek maakt.

Heb je een voorbeeld van ontdekkingen die jullie reeds hebben kunnen doen dankzij jullie unieke techniek die niet ontdekt zouden zijn met behulp van foto’s?

Een concreet voorbeeld: Als een patiënt de kliniek in komt waarbij een tumor wordt ontdekt, is het altijd de vraag of deze tumor al is uitgezaaid of niet. Als de cellen namelijk al uitgezaaid zijn, is de kanker vaak veel moeilijker te behandelen. We hebben altijd gedacht dat uitzaaiingen iets heel unieks zijn waarvoor enkele cellen bepaalde DNA mutaties of specifieke gedragsverandering doorgemaakt moeten hebben. Zie het als een maatschappij waarbij de meeste mensen braaf en slechts enkelen crimineel zijn. Slechts een kleine hoeveelheid van de totale populatie bezit nadelige eigenschappen. Hetzelfde geldt voor een tumor, dachten wij. Toen we intravitaal zijn gaan filmen en ons focusten op de primaire tumor (de eerste tumor die ontstaat in het lichaam), hebben we gedurende twaalf uur ieder uur een foto gemaakt van de tumor. Aan het einde van de meting was ik initieel een beetje teleurgesteld, want we zagen niet zo veel gebeuren. Totdat ik de foto’s versneld achter elkaar ging afspelen. Hier zag ik dat heel veel cellen gingen bewegen; ze kropen als het ware uit de tumor naar het gezonde weefsel toe. Opeens was zichtbaar hoe het dodelijke uitzaaiing proces in zijn werk ging. Als je dit zo ineens ziet als één van de eerste in de wereld, is dat schrikbarend. Je loopt te schreeuwen van verrukking, je weet niet wat je overkomt. Het is iets unieks. Heel veel cellen bewogen en kwamen in de bloedvaten terecht, wat dus kennelijk helemaal geen unieke stap is. Dit zou betekenen dat de belangrijkste limiterende stap voor uitzaaiingen juist ligt bij welke cellen aankomen op hun uiteindelijke bestemming en daar nestelen. Ineens wisten we dingen die nog helemaal niet bekend waren. Dat is ongelooflijk.

Een tweede voorbeeld van dingen die wij kunnen zien is verbonden met bepaalde chemotherapieën. Het liefst zou je kankercellen willen doden en gezonde cellen levend houden. Hiervoor nemen we als onderzoek een kankercel apart en bekijken we in het lab hoe we deze kankercel kunnen doden. Elke chemotherapie die aan patiënten wordt gegeven, is in het laboratorium bewezen effectief te zijn op onze cellijnen. Het grote verschil tussen ons lichaam en een cellijn is dat we de concentratie chemotherapie op onze cellijnen heel makkelijk kunnen doseren, waardoor we precies weten welke dosis nodig is om zo’n cel te doden. In het lichaam kunnen we dit niet zo precies doen. Verder tast diezelfde chemotherapie ook je gezonde cellen aan, wat de reden is dat we nooit een optimale dosis van deze therapie kunnen geven. Ook heel veel gezonde cellen gaan dan dood. Wat wij hebben gedaan, is kijken naar hoe het mechanisme voor het doden van zo’n cel anders is wanneer een cel alleen in een schaaltje ligt in vergelijking tot in de patiënt. Wat altijd werd gedacht van huidige chemotherapieën is dat ze zich aangrijpen op de celdeling van een kankercel. Wij hebben echter laten zien dat dit proces in een levend organisme toch anders verloopt dan in een schaaltje. Dankzij verschillende samenwerkingen met artsen en wetenschappers hebben we gevonden dat chemotherapie zijn pijlen helemaal niet direct op delende kankercellen richt, maar dat dit het immuunsysteem aan zet wat vervolgens de kankercellen doodt. Dan kan je denken: “Wat maakt deze ontdekking uit? In de patiënt werkt de therapie toch al?”. Dat is wel zo, maar aan de andere kant ondervindt de patiënt ook heel veel nadelige bijwerkingen die we willen voorkomen. Als je niet precies weet hoe een behandeling werkt in een levend organisme, ontwikkel je mogelijk nieuwe medicijnen die helemaal niet effectief zijn. Nu weten we weer beter hoe het werkt, waardoor we veel gerichter nieuwe medicijnen kunnen ontwikkelen met minder bijwerkingen.

Onderaan deze pagina vind je twee prachtige filmpjes waarin je het resultaat van intravitale microscopie ziet.

Verder zie je hier groene tumor cellen in een bloedvat aangrenzend aan een colorectale tumor, hier tumor cellen die een bloedvat ingaan en hier de migratie van tumor cellen diep binnenin de tumormassa van een invasief lobulair carcinoom in een muis. Het paarse in de eerste twee filmpjes en blauwe in het derde is type I collageen, een hoofdbestanddeel van onze weefsels.

Hoe verlopen dit soort onderzoeken bij het NKI? In meerdere DWIN-interviews is naar boven gekomen hoe prachtig, relevant onderzoek alsnog jaren kan vereisen voordat het een toepassing weet te vinden in de maatschappij. Hoe vlot of lastig zijn de medische en wetenschappelijke samenwerkingen binnen jouw onderzoeksveld?

Wat wij doen, is fundamenteel onderzoek. Wij proberen kanker heel goed te begrijpen en dat is echt een zoektocht. Je gaat een gedeelte van een onderzoeksveld in waar nog niet veel bekend over is. Dat is heel veel vallen en opstaan. Je probeert heel veel paden te zoeken, waarbij de meesten dichtvallen. Iets werkt dan nét toch weer anders, of je hypothese klopt niet. Het spannende aan onze techniek is dat we dingen concreet kunnen zien. Zoals wordt gezegd: “Seeing is believing”, en omdat wij met de techniek nieuwe dingen kunnen zien, kunnen wij vaak ook oude theorieën ontkrachten en nieuwe observaties doen. Hierdoor hebben we van tijd tot tijd nieuwe doorbraken die mensen heel interessant vinden. Vaak concurreren wetenschappers met elkaar, maar daar hebben wij wat minder last van. Dit omdat de dingen die wij doen zo vernieuwend zijn.

Vóór het NKI zat mijn groep eerst bij het Hubrecht Instituut, wat een fundamenteel onderzoeksinstituut is omtrent ontwikkelingsbiologie. Ik wilde heel graag met artsen samenwerken, dichter bij de kliniek zijn en meer contact krijgen met patiënten. Om dit beter te kunnen doen, heb ik een aantal jaar geleden mijn groep naar het NKI overgebracht. Ik zit momenteel op een afdeling waarbij ongeveer de helft arts is en patiënten behandelt. Naast dat mijn groep heel erg fundamenteel onderzoek doet, doen we ook translationeel onderzoek. We bekijken of we ons onderzoek ook daadwerkelijk naar de patiënt kunnen brengen. Dit begint natuurlijk met het bevestigen of onze bevindingen ook kloppen in patiëntmateriaal. We zijn heel erg bezig met kijken of de fundamentele kennis ook relevant is voor patiënten en of we een nieuwe behandeling kunnen ontwikkelen. Dit moet je zien als een piramide: je begint met honderd ideeën, waarvan er uiteindelijk tien relevant blijken en één gerealiseerd kan worden. Toch wil je alle opties bekeken hebben. Vaak is het ook zo dat als je een stukje van de puzzel legt en het niet direct begrijpt, je pas tien jaar later een nieuw stukje kan leggen. Een voorbeeld daarvan is de verbeterde chemotherapie waar ik het over had. Tien à vijftien jaar geleden lieten we zien dat een cel in de kweek volledig anders reageert dan in een echt weefsel, maar nu pas weten we hoe dit precies werkt. We zijn momenteel bezig met kijken naar hoe we dit kunnen gaan toepassen in patiënten. Voordat een patiënt hier daadwerkelijk wat aan heeft, is er zo nog tien jaar voorbij. Het kan soms erg frustrerend zijn dat het zo lang duurt, maar we moeten iets eerst helemaal uitgepluisd hebben, willen we het beter kunnen maken. Hier moeten we heel veel bewijs voor hebben en ontzettend voorzichtig in zijn.

Wanneer kan je beslissen dat je genoeg data hebt om een nieuwe behandeling in te zetten? Wie legt die criteria op? Zijn jullie dit zelf? Het ziekenhuis? De overheid?

In eerste instantie moet je als wetenschapper die regels zelf zo strikt mogelijk maken. Je probeert wetenschap zodanig sterk te maken opdat je jezelf echt overtuigd hebt. Als je jezelf overtuigd hebt, moet je je collega’s gaan overtuigen. Vaak ben je zelf kritischer dan je omgeving, aangezien het je eigen onderzoek is. Je moet stapsgewijs kritisch denken; bij elke stap kan een idee weer afvallen. Als je door alle stappen heen bent, ga je proberen om te kijken of je het naar de kliniek kan brengen. Dan moet je investeerders gaan zoeken om dit te financieren. Behandelingen creëren is ontzettend duur en mensen investeren hier alleen in als er bewijs is dat het gaat werken. Dit is een grote reden waarom er slechts mondjesmaat nieuwe therapieën komen, maar zorgt er ook voor dat nieuwe behandelingen veilig zijn en daadwerkelijk werken.

Zoals wordt gezegd: “Seeing is believing”, en omdat wij met de techniek nieuwe dingen kunnen zien, kunnen wij vaak ook oude theorieën ontkrachten en nieuwe observaties doen.

De Wetenschap

En dan nu de wetenschap achter de techniek: hoe werkt intravitale microscopie? Hoe zorgen jullie ervoor dat de cellen die jullie willen bekijken een fluorescent signaal kunnen geven, oftewel een kleurtje krijgen?

In ons onderzoek willen we de beoogde cellen een kleur geven omdat anders alles er onder de microscoop hetzelfde uitziet. Dan zou je geen idee hebben waar je naar moet kijken. Maar dus, hoe kan je dit geven van een kleur het beste doen? In het dierenrijk gebeurt dit al. Denk aan vuurvliegjes; een soort lampje dat je ziet vliegen. Of aan lichtgevende kwallen in de zee. Deze kwallen vangen blauw licht en scheiden groen licht uit. Wat deze dieren hebben, is een specifiek molecuul in hun lichaam. Dit molecuul of eiwit hebben wetenschappers in de jaren ’70 geïdentificeerd door de kwallen uit de zee te halen. In de jaren ’90 hebben ze vervolgens de DNA sequentie weten te achterhalen dat dit eiwit produceert. Sindsdien kunnen we vanuit de wetenschap kleine foutjes in het DNA maken waardoor dit eiwit niet alleen groen licht kan produceren maar ook andere kleuren licht. Hierna zijn er cellulaire technieken ontwikkeld om dit stukje DNA in cellen te brengen, en brengen die cellen vervolgens dat eiwit tot expressie waardoor die cellen ook fluoresceren. Als je een kweekschaal hebt, kun je deze speciale cellen zien oplichten. Vervolgens hebben we deze DNA mutatie niet enkel in kankercellen aangebracht maar ook in gezonde cellen. Zo zijn er vandaag de dag zelfs muizen en zebravissen waarbij cellen zo’n fluorescerend eiwit kunnen maken. In onze groep hebben we muizen gemaakt waarbij de kankercellen en de gezonde cellen elk een bepaald kleurtje hebben. De kankercellen zijn bijvoorbeeld groen en de gezonde cellen rood. Als we de muizen uiteindelijk gaan filmen, kunnen we alles visualiseren en kijken hoe kankercellen reizen.

Hoe krijgen jullie het voor elkaar om binnenin een levend wezen, dier of patiënt, weefsel te visualiseren? Een microscoop werkt doorgaans met een lamp of met een laser, en dat licht moet ergens doorheen kunnen gaan. Dit licht wordt opgevangen door een camera en dat geeft je een beeld. Hiervoor gebruik je hele dunne samples, zoals bijvoorbeeld een enkele cellaag, want hier kan licht doorheen reizen. Als je een dik weefsel hebt, hoe kan je licht hier dan doorheen reizen?

Bij microscopie gebruik je licht dat naar binnen straalt, op dingen afkaatst en wordt verspreid. Dit betekent dat het licht alle kanten opgaat, wat erg wazige beelden kan geven. Om dit op te lossen zijn we microscopen gaan gebruiken waarmee je in het infrarode lichtspectrum zit. Waarom is dit nu belangrijk? Licht is een deeltje, maar ook een golf. Een blauwe kleur licht bestaat bijvoorbeeld uit een golf met een hele korte golflengte. Naarmate je meer naar rood licht gaat, wordt de golflengte langer. Infrarood licht heeft een nóg langere golflengte. Waarom is deze lengte belangrijk? Denk aan geluid, wat ook een golf is. Als tussen jou en mij een muur staat en jij loopt te schreeuwen, dan kan die geluidsgolf door de muur heen. Die kan zelfs dwars door een betonnen muur heen. Maar licht kun je niet door een betonnen muur heen schijnen. Dit komt omdat geluid een héle lange golflengte heeft in vergelijking met licht, en lange golven komen minder interferentie tegen. Ze worden minder verstrooid dan een korte golf. Hoe langer de golf, hoe minder de golf verstoord wordt door de omgeving. Daarom gebruiken wij infrarood licht, omdat het ontzettend lang is en minder verstrooid wordt in het weefsel. Dit resulteert in het feit dat dit licht heel diep in het weefsel kan komen. Met dit licht “zetten we die kankercellen aan” en gaan ze hun kleurtje geven. Vervolgens komt dat fluorescente licht eruit en hebben we bepaalde detectoren die dat licht opvangen en het omzetten in een digitale foto. Als je heel erg inzoomt op die foto, zie je dat die foto bestaat uit pixels (ook een computerscherm en televisie bestaan uit pixels). De microscoop bouwt de foto pixel voor pixel op. Het aanzetten van het licht moet dus heel specifiek, want je wil maar 1 pixel per keer meten en verstrooiing van licht zou daarbij problematisch zijn. Het fluorescerende licht dat uit wordt gezonden kan natuurlijk ook verstrooid raken, maar dat maakt niet uit, want al het licht dat uit het weefsel komt is uitgezonden vanuit die ene pixel waar het licht is aangezet. Hiermee kunnen we de beelden en cellen heel scherp zien. We gebruiken hiervoor hele geavanceerde microscopie die vroeger nog niet bestond. Maar hoe houdt je het stuk weefsel dat je wilt visualiseren 12 uur lang op dezelfde plek als het levend weefsel van een muis is? Dit doen we door de muis een klein roesje te geven waardoor die slaapt en daardoor niet meer beweegt.

Hoe geven jullie verschillende kleuren aan verschillende cellen mee? En hoe krijgen jullie het voor elkaar om cellen een kleur te geven zonder dat je de cellen uit het weefsel moet halen om ze genetisch aan te aanpassen?

Wij brengen het specifieke stukje DNA wat leidt tot dat fluorescente eiwit reeds aan in de allereerste cellen van de muis. Hierdoor groeit zo’n muis op met deze aanpassing in het DNA van elke cel. We kunnen zelf bepalen wanneer er met de cellen ‘geknutseld’ wordt, door specifieke chemicaliën en knutseleiwitten te gebruiken die enkel in gang komen in bijvoorbeeld de embryo, of tijdens latere puberteit, zwangerschap, etc. Om het proces selectief te maken voor verschillende cellen, kiezen we bijvoorbeeld voor een eiwit dat alleen maar in kankercellen wordt geproduceerd. Dit gekozen eiwit wordt aangemaakt door een stukje gemuteerd DNA in een kankercel, en wij kunnen dan aan dit stukje gemuteerd DNA ons nieuwe stukje DNA plakken wat codeert voor het fluorescerende eiwit. Hierdoor zullen in dit geval alleen de kankercellen dit specifieke fluorescerende eiwit aanmaken. Dit kunnen we ook voor vele andere cellen doen; immuuncellen of andere gezonde cellen. Zo worden de kankercellen bijvoorbeeld groen, immuuncellen blauw en de gezonde cellen rood. Hierdoor kunnen we bekijken hoe deze cellen interacteren met elkaar en hoe ze zich gedragen in de aanwezigheid van elkaar.

Dus als ik het goed begrijp, modificeren jullie een organisme vanaf of soms zelfs voor de geboorte met dit DNA? Dan neem ik aan dat jullie deze techniek nog niet kunnen toepassen op patiënten?

In patiënten kunnen we dit signaal inderdaad nog niet filmen. Dit kunnen we enkel doen bij een biopt, of een orgaan op het moment dat iemand overleden is. Wat we wel kunnen doen, is foto’s maken waarop grotere structuren te zien zijn (dus geen individuele cellen), door middel van tracers. Tracers zijn specifieke moleculen die we kunnen inspuiten, waarna deze binden aan de kankercellen en een kleurtje afgeven. Dit fluorescente signaal is dan niet zichtbaar met een microscoop, maar wel met een PET-scan of een andere soort scan. Hiermee kunnen we wel al in het lichaam kijken waar die cellen en tumoren zitten. We zijn heel erg bezig om nieuwe tracers te maken. De resolutie van deze tracers is namelijk nog veel minder hoog dan voor wat we in muizen gebruiken. Zo zie je maar, je hebt altijd limieten.

Wat zie jij zelf als de grootste ontdekking die je tot dusver hebt mogen bijdragen aan je vakgebied? Waar ben je het meest trots op?

Ik ben over het algemeen erg trots op alles wat mijn team doet, maar waar ik zelf vooral een kick van krijg is dat we met onze technieken geheel nieuwe dingen zien. Dingen die nog niemand anders heeft gezien. Denk aan wat ik heb verteld over de eerste keer dat ik het uitzaaiingsproces zag; dat heeft zo veel nieuwe inzichten gegeven. Hier ben ik ontzettend trots op. Diezelfde techniek gebruiken wij nu om te bekijken waarom tumoren resistent worden tegen therapie. Ik ben erg trots op het feit dat wij nu dingen kunnen zien die we voorheen niet konden visualiseren. Niks is zo overtuigend als iets echt zien gebeuren. Iedere keer is dat weer een kick en maakt het me trots.

Wat ik ook ontzettend leuk vind, is om te zien dat de volgende generatie weer hun eigen ontdekkingen doet met deze technieken. Ze komen met nieuwe gave ideeën. Het is zo geweldig om te zien dat je deze mensen aan het opleiden bent en dat ze groeien en zelfs beter worden dan jij! Dat is hoe wetenschap werkt, dat je die interactie hebt. Het maakt niet uit wie het beste idee heeft. Het gaat om het proberen de volgende stap te maken naar de genezing van kanker. Dat maakt wetenschap voor mij in het algemeen één van de mooiste plekken om te werken. Ik ben heel blij dat ik hier mijn bijdrage aan kan leveren.

Over bijdrages gesproken; wat hoop je nog bij te mogen dragen in je toekomstige carrière? Als je nog één doelstelling uit zou mogen kiezen, wat zou je dan het liefst behalen?

Er zijn heel veel dingen die ik nog zou willen doen! Één van de dingen waar nog relatief weinig onderzoek naar wordt gedaan, is hoe we kanker kunnen voorkomen. Veel onderzoek focust zich op hoe kanker te genezen eens het er is. Maar voorkomen is in mijn ogen nog altijd beter dan genezen. Ik denk dat we kanker echt kunnen voorkomen, aangezien we reeds heel veel progressie hebben gemaakt in het voorkomen van andere ziektes. Als je kijkt naar de incidentie van kanker, stijgt deze ieder jaar nog. Wat ik schrikbarend vind, is dat we die stijging ook bij jonge mensen zien. Met jonge mensen doel ik dan wel op mensen onder de 50 jaar. Ze krijgen steeds vaker kanker. Als we dit weten te stoppen vanaf de bron, kunnen we heel veel leed besparen. Één van de dingen die we nu doen, is het filmen van de kankercellen in een heel vroeg stadium. We proberen dit te begrijpen; waarom ontstaat dit zo vroeg in jonge mensen? Hoe werkt dit? Dit helpen te voorkomen is waar onze ambitie ligt.

Ik kan in principe iedere wetenschapper in Nederland bellen met een probleem en dan word ik ook gewoon geholpen.

De Persoonlijkheid

Wat heeft jou vroeger laten kiezen voor de wetenschap? Wat heeft jou deze richting ingestuurd?

Ik ben zelf heel erg nieuwsgierig ingesteld en vind het ontzettend leuk om dingen te begrijpen. Als iemand zegt: “Ja, dat weten we niet…”, denk ik: “Waarom weten we dit niet?”. Ik vond dit vroeger geen acceptabel antwoord en dan wilde ik het zelf uitzoeken. Dan ging ik naar de bibliotheek of onderzoek doen. Als mensen zeggen dat we iets nog niet kunnen, vind ik dat we iets anders moeten verzinnen waardoor we het wel kunnen. Dat heeft mij altijd heel erg gedreven. Wat me nu ook heel erg drijft, is dat ik het ontzettend leuk vind om de volgende generatie op te leiden. Het is fantastisch om te zien dat jonge mensen het goed doen. Wat ik altijd zo mooi vind, is dat veel van de grote geesten in de wereld hun grootste ontdekkingen gedaan hebben toen ze 27 jaar oud waren. Ik ben al ver voorbij mijn 27e, maar ik vind het fantastisch om met mensen rond deze leeftijd te werken. Hun hersenen zijn nog zo open en niet gevormd door ervaring. Ik ben bang dat ik zelf veel minder open sta voor gave ideeën door beroepsvervorming. Er moet samengewerkt worden binnen teams, de maatschappij en instituten. Met zijn allen aan dit doel werken vind ik fantastisch.

Hoe goed of slecht zijn we met zijn allen momenteel bezig, gezien vanuit jouw perspectief? Wat heeft de wereld nu het hardste nodig?

Ik denk dat samenwerking ontzettend belangrijk is. Ik denk dat we in onze maatschappij heel erg individueel bezig zijn en iedereen heel vaak naar zijn of haar eigen belang kijkt. Er wordt minder snel gekeken naar het algemeen belang. Al vind ik dat we het in Nederland wel heel erg goed doen, al helemaal als we kijken naar de wetenschap. Ik kan in principe iedere wetenschapper in Nederland bellen met een probleem en dan word ik ook gewoon geholpen. Op andere plekken in de wereld bestaat veel meer competitie tussen wetenschappers en wordt er niet veel gedeeld. Ik ben wel heel positief, zeker over de jongere generaties. De jongere generaties delen heel veel met elkaar, denk aan sociale media. Ik ben er dus heel erg positief over. Als het aan de nieuwe generatie ligt, wordt er meer samengewerkt en gaan we dit met elkaar oplossen.

Als jij op een podium zou staan voor een zaal vol studenten en je zou hun één levenswijsheid mee kunnen geven: wat zou je hun dan vertellen?

Geef nooit op! Zie kansen. Soms heb ik wel eens een student die binnen komt om te vertellen dat alles mislukt is. Maar hoe kan een proef nu mislukken? Technisch gezien kan iets mislukken, maar een uitkomst kan niet mislukken. Elk antwoord is een goed antwoord. Als je een examen maakt en deze haal je niet, dan kun je zeggen dat het mislukt is. Maar je leert hier ook weer van. Misschien is dit niet je interesse en moet je naar een andere focus switchen. Elke tegenslag die je hebt, kan je ook weer zien als een nieuw moment om nieuwe keuzes te maken. Ontwikkel jezelf. Eigenlijk moet je nooit opgeven; je moet dingen doen die je leuk vindt.

Met wat ik over jou kan vinden, blijk jij momenteel een glansrijke carrière te hebben. Heb je zelf ook momenten gehad dat het heel zwaar werd en dat de wil om op te geven naar boven kwam?

Natuurlijk! In de wetenschap willen 90% van de experimenten die je doet niet lukken of werken ze anders dan verwacht. Dan kun je denken dat het vervelend is, maar ik probeer altijd te zien dat het glas halfvol is. Juist op zo’n moment moet je denken dat het heel gaaf is wat je ziet. Iedere keer weer het positieve ervan inzien. Uiteraard heb ik ook tegenslagen meegemaakt. Dat doet iedereen. Er zijn heel veel dingen die niet werken zoals jij wilt. Om juist dan dat in iets positiefs om te zetten, heb ik altijd geprobeerd te doen. Maar het is zeker niet zo dat alles in mijn carrière altijd gewerkt heeft, juist het tegenovergestelde.

Heb je hier tips voor? Hoe vind jij de kracht om iets negatiefs in iets positiefs om te zetten?

Ik denk gedeeltelijk dat dit iets persoonlijks is. Het is natuurlijk heel erg menselijk om tegenslagen opzij te zetten en te ontkennen, maar het kan ook heel gezond zijn om toe te geven dat het mislukt is. Als je kijkt naar de grote namen op aarde, zullen die vast ook moeilijke tijden en mislukkingen meegemaakt hebben. Als je nooit je nek uitsteekt en altijd maar bang bent om een fout te maken, zal je ook nooit gave ontdekkingen doen. Soms moet je het gewoon proberen en als het niet lukt, ga je weer wat anders doen. Ik heb hier niet zomaar een tip voor. Er zijn duizend wegen naar Rome, maar het belangrijkste is dat het ook niet erg is om fouten te maken. Sterker nog, je moet fouten maken. Van fouten leer je meer!

Dan rest mij enkel nog de DWIN-vraag: Heb je een leuk weetje of feitje waar je de lezer mee kan verrijken of verrassen?

Dan ga ik toch in de hoek van de celbiologie blijven! Wist jij dat wij 22 duizend miljard cellen in ons lichaam hebben? Om je een idee te geven: als één cel zo groot zou zijn als een suikerkorrel, krijg je met al jouw cellen een toren zo groot als de Domtoren in Utrecht.

En weet jij hoeveel nieuwe cellen er per uur worden aangemaakt? 2 miljard nieuwe cellen per uur! Dit gebeurt vanaf je geboorte tot aan je dood, dag en nacht. Als je dit niet zou doen, zou je ontzettend snel verouderen. Dit is ook de reden waarom kanker iets is wat we altijd bij ons zullen blijven dragen. Ons lichaam maakt voortdurend nieuwe cellen aan, wat ons ook heel erg kwetsbaar maakt voor kopieerfoutjes in het DNA en het resulterende ontstaan van kanker.

Wat een ontzagwekkende getallen! Jacco, ontzettend bedankt voor dit geweldig mooie verhaal over het onderzoek van jou en je groep!

Ontdek ook:

Mobiele versie afsluiten