Sociale Wetenschap

Gonneke Stevens

Dr. Gonneke Stevens is een Universitair Hoofddocent aan de Universiteit Utrecht voor de opleiding Interdisciplinaire Sociale Wetenschap. Ze onderzoekt in hoeverre en waarom sommige groepen adolescenten en jongvolwassenen -met name diegene met een migratieachtergrond en een lage sociaaleconomische positie- een grotere kans hebben op gezondheidsproblemen dan hun leeftijdsgroep. Sinds 2016 is ze projectleider binnen het HBSC-onderzoek (Health Behaviour in School-aged Children) in Nederland, een grootschalig onderzoek naar de sociale context, gezondheid en het welzijn van jongeren in circa 50 landen in Europa. Hierbij tracht ze samen met haar collega’s naar mogelijke verklaringen te zoeken voor de internationale verschillen in gezondheid en welzijn tussen jongeren, en wat de mogelijke impact van immigratie en socio-economische status hierbij is. Verder is ze projectleider van het ‘YOUth Got Talent’ project, wat zich focust op jongvolwassen in het MBO en o.a. mogelijke oorzaken voor schooluitval, én maakt ze onderdeel uit van het TRAILS team. Het laatste -longitudinale – onderzoek bestudeert de psychologische en sociale ontwikkeling van adolescenten over een periode van ongeveer twintig jaar. Maar hoe pak je zulke uitgebreide onderzoeken aan? En welke conclusies zijn voortgekomen uit haar onderzoek? Dat deelde ze graag in haar interview met DWIN.

Meest recent

Carlijn Bouten

Prof. Carlijn Bouten is hoogleraar Cel-Matrix Interacties in Cardiovasculaire Regeneratie voor de faculteit Biomedische Technologie aan de Technische Universiteit Eindhoven. Hier onderzoekt ze interacties tussen levende cellen en de extracellulaire matrix waar cellen zich in bevinden en wat structuur biedt aan onze weefsels. Haar groep gebruikt modelsystemen op verschillende lengteschalen voor het bestuderen van dezeVerder lezen

Heidi Lesscher

Dr. Heidi Lesscher is neurobioloog aan de Universiteit Utrecht. Hier doet ze onderzoek naar verslaving; hoe ontstaat het en wat bepaalt het risico op verslaving? Haar onderzoek richt zich onder meer op individuele verschillen in de gevoeligheid voor alcoholverslaving en de hersenmechanismen die daarbij betrokken zijn. Zo heeft ze aangetoond dat de amygdala, een hersengebiedVerder lezen

Het Inzicht

Je bent projectleider binnen het HBSC-onderzoek waarbij je de gezondheid en het welzijn van de Nederlandse schoolgaande jeugd onderzoekt. Ik ben benieuwd: Hoe staat de Nederlandse jeugd er eigenlijk voor? Waar kijk je allemaal precies naar in dit onderzoek, en wat ontdek je hierbij?

Wat ik vooral leuk vind aan het HBSC-project, is dat je kan vaststellen hoe de jeugd verandert. Iedereen heeft daar een mening over, maar wij hebben de cijfers. Als je kijkt naar wat er allemaal is veranderd ten opzichte van een tijd geleden, is dat best wel veel. In vergelijking met een kleine twintig jaar geleden is middelengebruik bijvoorbeeld heel erg afgenomen. Rond het jaar 2000 werden de Nederlandse jongeren wel eens ‘de zuipschuiten’ van Europa genoemd (mede door ons onderzoek), en nu nemen onze jeugdigen een gemiddelde positie in in vergelijking met de rest van Europa. Wat ook veranderd is, is dat de druk door schoolwerk ontzettend is toegenomen onder jongeren in Nederland. Die is meer dan verdubbeld sinds begin 2000, wat erg opvallend is. Verder was een aantal dingen al heel positief als je Nederlandse jeugd vergelijkt met die in Europa, wat min of meer over de gehele periode het geval is. Zo zijn sociale relaties (met bv. ouders) heel positief, en zien we binnen Nederland dat relaties met vaders nog beter zijn geworden dan dat ze begin 2000 waren. Relaties met moeders waren altijd al positief en konden in die zin bijna niet positiever worden. Er wordt relatief weinig gepest en dit percentage is bovendien afgenomen in de laatste jaren. Daarnaast is de levenstevredenheid heel hoog, al moet ik daar wel wat bij zeggen. Als je kijkt naar hoeveel jongeren in Nederland hun levenstevredenheid met een ‘voldoende’ beoordelen, is dat percentage een van de hoogste in Europa. Maar als je kijkt naar gemiddelde levenstevredenheid scoren Nederlands jongeren ongeveer vergelijkbaar aan het Europese gemiddelde. Dat komt omdat Nederlandse jongeren bijna nooit een 10 geven, en ook 9’s worden niet zo vaak gegeven. De Nederlandse scores liggen rond de 7 of 8. Dit vind ik ook wel weer fijn, want ik kan me voorstellen dat het fijner is om in een klas te zitten waar iedereen een 6, 7 of 8 geeft voor zijn of haar leven, in plaats van dat je in een klas zit waarin de ene helft een 10 geeft en de andere helft bij wijze van spreken een 3. Ook zien we dat de Nederlandse jongeren in de laatste meting van 2017 op psychische klachten relatief heel gunstig scoren (als in dat ze hier dus minder last van hebben dan jongeren uit andere Europese landen).

Hiernaast doe ik ook nog onderzoek naar sociale ongelijkheid, waarbij we zien dat er relatief weinig verandert. Je ziet dat jongeren uit gezinnen met een lagere welvaart meer emotionele problemen rapporteren. Qua opleidingsniveau zie je daarnaast heel duidelijke verschillen in gedragsproblemen, middelengebruik en de mate waarin gepest wordt. Zo wordt er wel ongeveer twintig keer meer gerookt op het VMBO dan op het VWO, of is het percentage dat ‘meer dan tien drankjes per week drinkt’ op het VMBO veel hoger, met name binnen Basis en Kader. De mate waarin er sociale ongelijkheid is, blijft dus vrij stabiel en daarmee nog steeds een aandachtspunt.

In de Volkskrant verscheen afgelopen jaar een artikel over het HBSC-onderzoek waarin vermeld werd dat “Nederlandse jongeren de zondagskinderen van Europa blijven”. Zou je kunnen verklaren wat hier de specifieke redenen voor zijn?

Ik denk dat het levensgeluk wel goed te relateren valt aan de positieve sociale relaties. Maar we blijven altijd een klein beetje gissen naar waarom jongeren in Nederland zo’n goede relatie hebben met hun ouders. Wat is er nou anders in Nederland dan elders in Europa? Wat we wel eens hebben onderzocht, is de rol die gendergelijkheid speelt in het levensgeluk van jongeren in Europa.  Daarbij zie je dat jongeren in gendergelijke landen (waar Nederland ook toe behoort) positiever zijn over hun sociale relaties dan in landen waar minder gendergelijkheid is. Dat zou een mogelijke verklaring kunnen zijn. Daarnaast, al hebben we dit niet empirisch onderzocht, zou het ook te maken kunnen hebben met de weinig hiërarchische relaties tussen ouders en hun kinderen in Nederland, en dat ouders in Nederland relatief vaak parttime werken.   

Hoe zit het eigenlijk bij jongeren met een immigratieachtergrond? In hoeverre is hun achtergrond gelinkt aan mogelijke gezondheidsproblemen die opspelen bij deze jeugd?

Als je kijkt naar waarom jongeren met een immigratieachtergrond vaak minder gunstig scoren, zie je in de cijfers vooral dat ze het op de gedragsproblemen en sociale problemen met leeftijdsgenoten minder goed doen. We zien eigenlijk geen verschil in hun levenstevredenheid en in emotionele problemen. Vanuit theoretisch perspectief hebben jongeren met een immigratieachtergrond op verschillende manieren met extra stress te maken. Zij en/of hun ouders zijn door een proces van migratie gegaan, moesten integreren, krijgen te maken met een dynamiek waarin jongeren zich vaak meer Nederlands voelen dan hun ouders wat tot gezinsconflicten kan leiden, etc. Een tweede mechanisme voor deze ongunstige scores zijn processen van discriminatie. Zo weten we dat jongeren die veel discriminatie ervaren meer mentale problemen rapporteren.

Jij en je collega’s doen dit belangrijke en interessante onderzoek, en ontdekken gaandeweg welke dingen goed gaan en welke minder positief zijn. In hoeverre worden jullie bevindingen en gevormde conclusies uit het onderzoek daadwerkelijk gekoppeld aan verdere maatschappelijke ontwikkelingen en verbeteringen? Is het van invloed op politieke beslissingen; treden jullie naar voren met mogelijke oplossingen, en hoe doen jullie dat dan?

Het HBSC-onderzoek wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Een aantal van onze cijfers, bv. die rond middelengebruik, gamen, sociale media en pesten, worden door hun gebruikt. Ze willen altijd het liefst concreet één cijfer, bijvoorbeeld een percentage voor hoeveel jongeren nu eigenlijk roken. Zo leveren we eens in de vier jaar de gevraagde percentages. In het geval van de cijfers voor rokende jeugd helpen die bijvoorbeeld bij het Preventieakkoord, waarin men wil dat jongeren helemaal stopen met roken. Wij geven daarmee dan als het ware een peiling over wat goed en wat minder goed gaat. In andere projecten, zoals het ‘YOUth Got Talent’ project werken we intensief samen met de gemeente Utrecht en de Utrechtse VMBO en MBO-scholen. Daarbij rapporteren we vooral waar risico’s liggen en wat nou mogelijke voorspellers zijn voor schooluitval. Één van de mogelijke voorspellers is wanneer jongeren geldzorgen rapporteren. Daar zijn interventies voor ontwikkeld voor MBO-studenten en onze cijfers leveren dan extra aanleiding om daar mee aan de slag te gaan. Ook zien we binnen bepaalde opleidingen op de verschillende MBOs dat bepaalde mentale problemen meer spelen dan op andere opleidingen, wat iets zegt over de noodzaak van extra ondersteuning van bepaalde studentenpopulaties.

In die zin leveren we belangrijke cijfers en blijven we ook monitoren. We treden als een rapport uitkomt ook echt wel naar buiten. Dat vind ik ook belangrijk. Neem nu de kwestie rond de druk door schoolwerk die kinderen steeds meer ervaren. Wat moeten we hiermee als maatschappij? Moeten we jongeren in scholen extra vaardigheidstraining geven, of time management, of dergelijke? Persoonlijk zie ik dat eerlijk gezegd niet zo. Ik denk eerder dat we te maken hebben met een soort van maatschappelijke verandering, en dat we moeten nadenken als maatschappij of we dat anders willen en hoe dan. Als je bijvoorbeeld kijkt naar bepaalde opleidingen die enorme testen opleggen voor scholieren in 6 VWO, vraag je je af hoe je dat als jongere moet redden als je ook nog je examen hebt. Hierover spreek ik me wel uit; al blijf ik dit ook lastig vinden omdat ik mijn professionele mening het liefst op de resultaten van mijn onderzoek baseer. Mijn werk draait om het beschikbaar maken van data en factsheets, en genuanceerd blijven in debatten.

Zijn er eigenlijk concrete punten die uit de cijfers naar voren komen waarover je kan zeggen: “Dit is niet goed genoeg. Hier moeten we met zijn allen echt snel wat aan gaan doen om deze situatie te verbeteren.”?

Ik denk echt wel dat er iets moet gebeuren met de druk door schoolwerk. Daar mag meer aandacht naar toe. Er moet gekeken worden hoe die druk te verlagen valt en hoe je jongeren kunt ondersteunen zonder ze meer onder druk te zetten. Verder vind ik dat er blijvend meer aandacht naar de jeugd op het VMBO Basis en Kader moet, want hier komen echt veel risico’s samen. Niet alleen in gedragsproblemen maar er wordt ook meer gepest en er zijn negatievere attitudes naar mensen met een migratieachtergrond of homoseksuele jongeren. Al die risico’s komen daar bij elkaar, waardoor ik denk dat extra ondersteuning daar zeker van belang is.

Wat bedoel je precies met extra ondersteuning? Zouden er meer leerkrachten moeten zijn, moet er meer geld die richting uit, …?

Het identificeren van waar de problemen liggen wil nog niet zeggen dat je ook de beste oplossingen kan voorspellen. Dat is een heel vak op zich; het ontwikkelen van interventies en kijken welke effectief zijn en welke niet. Maar goed, ik denk wel dat meer ondersteuning en meer personeel op die scholen zou kunnen helpen. Wat wij in onze cijfers vonden, is dat leerlingen op het VMBO Basis en Kader positiever zijn over de sociale relaties met hun docenten. Dat is goed nieuws, want dit vertelt ons dat hieruit een mogelijkheid ligt om deze jongeren te ondersteunen.

Wat ook veranderd is, is dat de druk door schoolwerk ontzettend is toegenomen onder jongeren in Nederland.

De Wetenschap

Hoe doe je onderzoek in Sociale Wetenschappen? Bestaat het uit heel veel empirisch onderzoek en enquêtes afleggen? Hoe pak je deze projecten vanuit wetenschappelijke hoek aan?

Het bestaat inderdaad voor een groot deel uit enquêtes en interviews. Als je het HBSC-onderzoek als voorbeeld neemt, nemen we elke vier jaar een steekproef van de scholen in Nederland. We gaan dan een paar maanden bellen om die scholen te vragen of ze mee willen doen aan het onderzoek , wat natuurlijk niet altijd de hoogste prioriteit heeft voor scholen. Toch doen we dan onze uiterste best om hen te overtuigen van het nut van deelname aan ons onderzoek. Als ze dan toezeggen, proberen we er voor te zorgen dat het de scholen zo min mogelijk tijd kost. Onze onderzoeksassistenten leggen in de klassen uit waar het onderzoek over gaat, waarna jongeren de vragenlijst invullen. We denken uitgebreid na over de vragen die we stellen in de vragenlijsten. Een aanzienlijk deel van de vragen zijn elke vier jaar hetzelfde, omdat we alleen dan kunnen bestuderen in hoeverre jongeren in Nederland veranderen over tijd. Soms besteden we ook aandacht aan nieuwe thema’s. Dan kijken we in de literatuur welke vragenlijsten gevalideerd zijn en veel gebruikt zijn in eerder onderzoek.

Voor het internationale HBSC project is het samenstellen van vragenlijsten (nog) ingewikkelder. We weten vaak niet zeker of je met een vragenlijst hetzelfde meet in land A dan in land B.  Ook liggen bepaalde vragen gevoelig in bepaalde landen. Zo willen landen als bijvoorbeeld Canada niet meer vragen of iemand een jongen of een meisje is, zonder daar een categorie ‘anders’ aan toe te voegen. Die laatste toevoeging wordt in andere landen zoals Rusland en Hongarije dan weer niet gewaardeerd. Het is dus best een hele proces om consensus te krijgen tussen alle landen en om validatiewerk uit te voeren voor de verschillende vragenlijsten.  

Voor longitudinaal onderzoek waarbij je dezelfde jongeren zo lang mogelijk probeert te volgen, doen we veel via MBO scholen omdat het daar relatief makkelijk is om tijdens een les studenten te vragen om mee te doen aan ons onderzoek. Ook doen we kwalitatief onderzoek waarbij we jongeren uitgebreid spreken, waarna we de afgelegde interviews systematisch coderen en analyseren. Dan is er nog experimenteel onderzoek, waarbij je als onderzoeker een bepaald fenomeen manipuleert en bestudeert hoe jongeren daarop reageren. Deze laatste vorm van onderzoek maakt het makkelijker om causaliteit te onderzoeken?

Je vervult een rol in vele uiteenlopende en verschillende projecten (HBSC, YOUth Got Talent, TRAILS, etc.), waarbij je ongelooflijk veel communiceert met andere mensen, instellingen en landen. Hoe pak je dit aan? Hoe kun je al die projecten uit elkaar houden en elk project gestroomlijnd onderzoeken?

(grapt) Ik heb eindeloze lijstjes. Nee, natuurlijk maak ik in zo’n internationaal onderzoek deel uit van een consortium en hoef ik niet al het werk te doen. De projecten zijn op allerlei manieren georganiseerd en ik participeer in allerlei groepen. Ik begeleid veel PhD’s die op meerdere gebieden het belangrijkste deel van dat onderzoek uitvoeren, waarbij ik zoveel mogelijk meedenk als ze hun artikelen schrijven. Ik maak een bescheiden onderdeel uit van een veel grotere groep aan wetenschappers. Overigens is mijn onderzoek slechts de helft van wat ik doe; ik geef ook nog onderwijs. Ik geef allerlei colleges en begeleid studenten die hun scriptie bij mij schrijven. Ik doe dus van alles wat.

Is er iets in je wetenschappelijke carrière tot nu toe wat jij als je grootste bijdrage aan het vakgebied ziet? Is er iets waar je heel erg trots op bent?

Ik zie al de dingen die ik doe als stukjes in een puzzel. Elke keer vind ik weer een ander stukje en denk ik “oh ja, het past weer bij een algemeen idee dat ik had”. Wat ik kan zeggen, is dat ik onderzoek doe in dit vakgebied omdat ik heel geïnteresseerd ben in jeugd en waarom ze zich voelen zoals ze zich voelen en gedragen zoals zij zich gedragen. Ik wil leren hoe sociale verbindingen op allerlei niveaus hierbij van invloed zijn. Je hebt bepaalde persoonlijkheidskenmerken, een bepaald gezin, een bepaalde klas, een bepaalde tijd, etc. Hoe al die lagen van invloed zijn op hoe de jeugd zich voelt, vind ik heel interessant. Wat ik daar altijd een heel interessant concept binnen vindt, is het ervaren van discriminatie. Dit is een combinatie van de positie die je aanneemt binnen de maatschappij en je eigen perceptie van de wereld. We weten dat er heel veel jongeren zijn die geen discriminatie ervaren wanneer het er eigenlijk wel is, maar ook dat er jongeren zijn die het wel ervaren terwijl het er eigenlijk objectief gezien niet is. Die combinatie tussen persoonlijkheidskenmerken en de context waarin jongeren opgroeien vind ik heel interessant, en het feit dat mijn onderzoek daar stukjes kennis aan mag toevoegen maakt mij trots.

Heb je nog specifieke doelstellingen of dromen die je hoopt te bereiken in je verdere carrière?

Uiteraard. Elk antwoord levert weer een volgende vraag op. In de relatie tussen SES (sociaaleconomische status) en mentale gezondheid is nog lang niet alles verklaard. In heel recent onderzoek zien we dat jongeren uit gezinnen met een lagere welvaart minder controle over hun leven ervaren. Vervolgens geeft dat ook te denken over de interventies die er zijn, en wat mogelijke verklaringen zijn voor de link tussen SES en mentale gezondheid. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen migratie en gezondheid, al kan het zijn dat deze op een gegeven moment verdwijnt. Op het gebied van schooluitval zien we geen relatie met het hebben van een migratieachtergrond maar wel heel duidelijk verschillen in SES. Er zijn dus zeker nog allerlei vragen die ik interessant vind om te beantwoorden.

Formuleer je vraag en kijk wat de argumenten voor en tegen zijn. Ga niet te snel mee in mensen en hun meningen.

De Persoonlijkheid

Is er een bepaalde wetenschappelijke ontdekking of specifieke wetenschapper die jou inspireert of die je gewoon heel mooi vindt en hier met ons wil delen?

Nee. (lacht) Niet per se één wetenschapper of ontdekking. Ik ben denk ik niet zo van de idolen. Natuurlijk zijn er wetenschappers met inzichten die mij verbluffen, maar in het algemeen vind ik dat het bij wetenschap gaat om een combinatie van inzichten. Wat mij wel inspireert, is als ik een paper lees waarin een hele simpele, maar geniale onderzoeksvraag wordt geformuleerd. Daar kan ik soms wel jaloers op zijn. Dan vraag ik me af waarom ik hier niet zelf op gekomen ben. Streven naar voor de hand liggende, maar essentiële vragen en die in een onderzoek beantwoorden, vind ik heel mooi.

Hoe goed of hoe slecht zijn we op dit moment als maatschappij bezig volgens jou? Wat hebben we volgens jou momenteel het hardste nodig?

Als ik me even op mijn eigen vakgebied richt, is er binnen Nederland op dit moment veel aandacht voor sociale ongelijkheid en het verkleinen hiervan. Daar ben ik heel blij mee. Als je kijkt naar sociale ongelijkheid in ons land is die aanwezig en consistent, maar als je naar de relatie tussen bijvoorbeeld gezinswelvaart en mentale gezondheid kijkt, dan is die relatie in andere landen sterker. Verder denk ik dat er momenteel in Nederland ook veel aandacht is voor de #metoo-situatie en de Black Lives Matter-beweging. Ondanks de vele heftige discussies die dit oplevert en bijbehorende polarisatie, hoop en verwacht ik dat deze aandacht de weg is naar positieve veranderingen.

Wat ik als onderzoeker kan doen voor het maatschappelijk debat, is goede cijfers leveren en de vinger op de zere plek proberen te leggen. Wat wij als wetenschappers doen, is trachten op basis van ons onderzoek uitspraken te doen. Dat zorgt voor het verschil tussen wat ik kan zeggen over mijn vakgebied en wat anderen kunnen zeggen op basis van hun mening.

Stel, je staat voor een zaal met studenten en mag hun één ding meegeven. Waarmee zou je hun willen inspireren?

Ik probeer die inspiratie in mijn onderwijs te brengen. Misschien kan ik wel het meeste maatschappelijk impact hebben door mijn studenten zo goed mogelijk op te leiden. Wat ik het belangrijkst vind, is om mijn studenten zo kritisch en analytisch mogelijk te laten denken. Formuleer je vraag en kijk wat de argumenten voor en tegen zijn. Ga niet te snel mee in mensen en hun meningen. Kijk bij een onderzoek of je het overtuigend vindt en beslis of je de getrokken conclusies vindt kloppen. Veel van onze studenten gaan uiteindelijk werken bij gemeentes. Als ik ze deze analytische en kritische vaardigheden mee kan geven, kunnen ze daarmee een belangrijk bijdrage leveren aan beleid.

We zijn alweer bij de laatste vraag. Wat is jouw DWIN; welk weetje of feitje ken jij dat wij waarschijnlijk nog niet wisten?

Binnen ons onderzoek kijken we ook naar sociale media en het gebruik daarvan. Er heersen in de maatschappij ideeën dat intensief sociale media-gebruik misschien wel verbonden is met een slechte mentale gezondheid, maar dat vinden wij niet terug in onze cijfers. Wat we zien is dat jongeren met intensief sociale media-gebruik sterkere sociale banden hebben en niet per se meer mentale gezondheidsproblemen rapporteren. Desondanks zien we wel dat jongeren met problematisch sociale media-gebruik (verslavingsachtige kenmerken zoals verlies van controle over je gebruik, het verliezen van interesse in hobby’s, etc.) relatief veel mentale gezondheidsproblemen hebben.

Wat interessant! Gonneke, ontzettend bedankt voor je deelname aan dit interview!

0 reacties op “Gonneke Stevens

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s